|
DE
GESCHIEDENIS VAN DE BEARDED COLLIE Bearded collies zijn Schotse herdershonden, De benaming
bearded collie, vertaald de collie met de baard, is uit een zeer
recent verleden. Daarvoor waren er allerlei varianten zoals
highland collie.
Over het onstaan van de bearded collie doen verschillende
verhalen de ronde en de bekendste is de volgende.
Rond 1514 kwam er een schip uit Polen met graan. De kapitein
Kazimiez Grabski kwam uit Gdansk naar Schotland om zijn graan te
ruilen voor Schotse schapen, Hij had ook zes herdershonden bij
hem. Om de schapen op het schip te krijgen stuurde hij de honden
om de schapen te drijven. Er waren 60 schapen en er zouden er
maar 20 aan boord komen. De honden haalde met het grootste gemak
de 20 schapen uit de kudde en brachten ze aan boord.
Schotse schapen hadden in die tijd een behoorlijke waarde
maar de herder was zo onder de indruk van de honden dat hij
voorstelde om een ram te ruilen voor een paar honden,
uiteindelijk werd een deal gesloten : èèn ram en èèn ooi in ruil
voor èèn reu en twee teven.
Uit kruisingen met verschillende aanwezige honden in Engeland
is waarschijnlijk het ras ontstaan waarvan de huidige Bearded
Collie afstamt.
De bearded collie is altijd vriendelijk naar iedereen.
De bearded collie is altijd het zonnetje in huis.
De bearded collie neemt altijd een bloemetje (lees
onkruid) voor je mee.
De bearded collie houdt van verzamelen : schelpen, zand.
De bearded collie is altijd in voor een spelletje.
De bearded collie houdt niet van ruzie maken.
De bearded collie zal je altijd troosten bij verdriet.
De bearded collie is je grootste knuffel.
ras - informatie
Algemene verschijning
De Bearded Collie moet alert zijn,
levendig, actief en vol zelfvertrouwen. Het temperament moet dat
zijn van een intelligente werkhond, zonder tekenen van
nervositeit of agressie. Vrolijk en vriendelijk naar alles en
iedereen.
Karakteristiek
Een lenige, actieve hond, langer dan
hij hoog is, met een verhouding van ca 5:4. Hoogte gemeten vanaf
de schoft en lengte vanaf de borst tot het zitbeen. Teven mogen
iets langer zijn. De hond moet, hoewel stevig gebouwd,voldoende
daglicht onder het lichaam laten zien en mag er niet te zwaar
gebouwd uitzien. Een levendige, onderzoekende uitdrukking is een
opvallend en belangrijk kenmerk van dit ras.
Hoofd
Het hoofd moet in verhouding zijn met
de rest van het lichaam van de hond. De schedel is breed, vlak
en vierkant. De afstand tussen de stop en de occiput
(jachtknobbel) is hetzelfde als de afstand tussen de
ooropeningen. De voorsnuit is sterk en even lang als de afstand
tussen stop en occiput, zodat het geheel een effect geeft van
een hond met een sterke voorsnuit en voldoende ruimte voor de
hersenen. De stop moet matig diep zijn. De neusspiegel is groot
en vierkant, meestal zwart, maar sluit aan bij de vachtkleur bij
de bruine en blauwe honden. De neus en de lippen moeten effen
gekleurd zijn zonder stippen of vlekken. De kleur van de lippen
en oogranden moet dezelfde zijn als die van de neus.
Ogen
De oogkleur moet harmoniëren met de
kleur van de vacht. De ogen moeten wijd uiteen staan en groot,
zachtmoedig en vriendelijk zijn, maar niet uitpuilend. De
wenkbrauwen groeien naar boven en naar voren, maar zijn niet zo
lang, dat ze de ogen bedekken.
Oren
De oren zijn middelmatig lang en
hangen. Wanneer de hond oplettend is worden de oren aan de basis
opgetrokken tot gelijk met de schedel, maar niet erboven; zo de
breedte van de schedel schijnbaar verbredend.
Tanden
De tanden zijn groot en wit. De
snijtanden van de onderkaak staan precies achter tegen de
snijtanden van de bovenkaak (dus een schaargebit); hoewel een
tanggebit ook is toegestaan. Een volledig gebit van 42 elementen
is gewenst.
Hals
De hals moet lang zijn, gespierd en
licht gebogen.
Voorhand
De schouderbladen moeten goed schuin
naar achteren liggen. De voorbenen moeten recht zijn en
loodrecht staand en bedekt zijn met ruig haar rondom. De
middenvoet met soepel zijn, doch mag geen zwakte vertonen.
Lichaam
De lengte van de rug moet van de lengte
van de ribbenkast komen en niet van de lendenen. De rug moet
recht zijn en de ribben goed gewelfd bij de aanzet, maar niet
tonvormig. De lendenen moeten sterk zijn en de borst diep, om zo
voldoende ruimte te geven voor hart en longen.
Achterhand
De achterhand is goed gespierd met
goede tweede dijen, goed gebogen kniegewrichten en lage hakken.
De hak staat loodrecht op de grond en staat in normale stand
juist achter de loodlijn die vanaf het zitbeen naar de grond
wordt getrokken.
Voeten
De voeten moeten ovaal van vorm zijn
met sterke voetzolen. De tenen zijn gebogen en liggen dicht
tegen elkaar. Ze zijn goed behaard, zo ook tussen de
teenkussens.
Staart
De staart is laag aangezet, zonder haak
of krul, en is lang genoeg om met de laatste wervel tenminste de
punt van de hak te raken. Hij wordt laag gedragen, met aan het
eind een opwaartse buiging bij het staan of lopen, maar mag bij
grotere snelheid hoger gedragen worden, echter nooit over de
rug. De staart moet overvloedig met haar bedekt zijn.
Gangen
Het gangwerk behoort soepel, vloeiend
en goed uitgrijpend te zijn en met een minimum aan inspanning
veel grond beslaan.
Vacht
De vacht moet dubbel zijn met een
dichte, zachte, wollige ondervacht. De bovenvacht moet recht,
hard en ruig zijn, beslist niet wollig en zonder krul, hoewel
een lichte slag is toegestaan. De lengte en dichtheid van de
vacht moet voldoende zijn om een beschermende vacht te vormen en
de belijning van de hond te doen uitkomen, zonder de natuurlijke
lijnen van het lichaam te verdoezelen. De vacht mag op geen
enkele wijze getrimd worden. Beharing op het hoofd : de neusrug
moet spaarzaam bedekt zijn met haar, dat aan de zijkanten iets
langer mag zijn om juist de lippen te bedekken. Vanaf de wangen,
de onderlippen en van onder de kin wordt de vacht naar de borst
toe steeds langer en vormt zo de typische baard.
Kleur
De kleuren zijn : leikleurig,
roodachtig bruin, zwart, blauw, bruin en zandkleurig in iedere
nuancering, met of zonder witte aftekeningen. Als de hond wit
heeft, mag dit alleen op de voorsnuit, op de schedel als bles,
aan de staartpunt, op de borst, benen en voeten. Indien aan de
hals , niet achter de schouder, uitgaande van de inplanting. Ook
mag er geen wit zijn boven de hakken op de buitenzijde van de
achterbenen. Enige tanaftekening is toegestaan op de
wenkbrauwen, binnen de oren, op de wangen, onder de staartaanzet
en op de benen tussen de lichaamskleur en het wit.
Maten
De ideale maat, gemeten op de schouder,
is voor reuen 53-56 cm. en voor teven 51-53 cm. Algehele
kwaliteit en lichaamsverhoudingen zijn belangrijker dan de maat
zelf; maar een te grote afwijking van de ideale maat moet niet
worden aangemoedigd. Reuen moeten twee normale teelballen
hebben, die volledig in het scrotum zijn ingedaald.
|